‘We hoeven hier niet bang te zijn dat we op straat moeten leven’

Mei 2022 – van de redactie

Voorlopig is Atifa even gestopt met het dagboek, ze is met andere dingen bezig. Wij bezochten haar in Duitsland, waar ze sinds juli 2021 wacht op de uitslag van haar asielverzoek.

Zaterdagavond, 10 april 2022. We staan voor de deur van een oud flatgebouw. Neonlicht spat uit de ramen, beschijnt het kale terrein. Het is een contrast met de omringende buurt – een lommerrijke, zacht verlichte woonwijk in het Zuid-Duitse stadje Asperg.

Hier woont Atifa dus nu, met haar ouders en broertje. Een vreemde spanning maakt zich van ons meester. We hebben twee jaar lang gemaild, gebeld met en zonder video, en vooral héél veel ge-appt. Dit wordt onze eerste onmoeting in levenden lijve.

De deur gaat open, en in een baan van wit licht zien we het silhouet van een meisje, als in een strip of een sprookje. De prinses laat nog even in het midden of ze echt bestaat.

Maar de omhelzing maakt het werkelijk. We zijn mensen van vlees en bloed, we kénnen elkaar al. En dat ontroert.

Atifa met redacteur Trudeke Sillevis Smitt. Achtergrond: Mehrdad Gholami, die de teksten van Atifa uit het Farsi vertaalde.

Atifa neemt ons mee naar de kamer van haar familie. We doen onze schoenen uit, al hoeft dat niet, want het is zeil, zeggen haar ouders. We schudden handen, ook haar broertje durft. Er staat vruchtentaart voor ons klaar, zelf gemaakt in de gemeenschappelijke keuken door Atifa’s moeder. Een vrouw met een open gezicht, die ons gemakkelijk tegemoet treedt. Atifa’s vader biedt Mohamad Jawad, zeven jaar, een veilige schoot. Wij mogen op stoelen, de familie zit op bed – er staan in de verder vrij lege ruimte drie bedden naast elkaar, en dan Atifa’s bed apart in een hoek, voor een flintertje privacy.

Atifa met haar vader, moeder en broertje in hun kamer in Duitsland. Atifa: ‘Mijn ouders hebben ons naar een veilige plek gebracht. Ze hebben me geleerd om heel veel geduld te hebben.’

Ze zijn erg opgelucht, het is hier zó veel beter dan in Griekenland, vertellen ze. De mensen zijn aardig, ze hebben nog niets naars meegemaakt op straat. Alleen de spanning of ze mogen blijven, die is moeilijk te dragen.

Aan de muur hangt het eerste schilderij dat Atifa in Duitsland heeft gemaakt. De schilderijen die ze in Griekenland maakte zijn verkocht, of hangen nog bij de ngo’s waar ze schilderde. Haar nieuwe Duitse schilderij is niet goed, vindt Atifa zelf, maar wij kijken met waardering naar de magnolia-bloesem tegen een zwart/gouden achtergrond.

Tot de zevenjarige het lang genoeg vindt duren: hij wijst ons voorzichtig op zíj́n kunstwerk dat aan de andere kant van de kamer hangt. Iedereen smelt, en het paardje van karton en draad krijgt de aandacht die het verdient.

Mohamad Jawad zit nu op een gewone basischool en spreekt al een aardig woordje Duits. Zijn accent is veel beter dan dat van Atifa, klaagt ze met een glimlach. Duits is schwierig, maar ze krijgt elke dag les in Stutgartt, dus het zal wel komen.

Zondagochtend, Mohammad Jawad heeft vrij van school.

—–

Zondagochtend, 10 april 2022. We halen Atifa om 10 uur op. Haar ouders slapen, zij waren om vijf uur even op om te eten, want het is Ramadan. Atifa doet dit jaar niet mee met vasten. Vooral, vertelt ze, omdat het niet goed is voor haar schoolwerk. Ze heeft vanochtend een broodje kaas gegeten.

We wandelen door het stadje met de witte huizen aan de voet van de Hohenasperg, een berg die met oeroude vesting op de top. We praten over Atifa’s eerste herinnering. ‘Die is uit Iran, waar ik woonde vanaf mijn vijfde. Daarvoor woonde ik in Afghanistan en Pakistan, maar daar weet ik niets meer van. Het huis in Iran weet ik nog goed, wij hadden twee kamers, en dan was er nog een kamer waar mijn tante woonde met vijf kinderen. Een badkamer was er niet, soms wasten we ons in keuken en soms in de tuin. We hadden een hele grote tuin. Dat was een fijne tijd.’

Atifa’s liefste plek in Asperg: de burcht boven op de berg. ‘Hier voel ik me heel sterk, alsof ik de hele wereld aankan.’

Het mocht niet zo blijven. Afghanen hebben het in Iran heel moeilijk. Ze bouwen er geen rechten op. Het gezin van Atifa was illegaal en kon het hoofd niet boven water houden. Ze besloten de sprong te wagen naar Europa, waar Atifa op haar zeventiende aankwam – na een vreselijke tocht.

—–

Over de tijd op Lesbos praten we ’s middags met haar verder, in de rust van onze hotelkamer. Tijdens de Ramadan in 2020 zat Atifa in kamp Moria, ze schreef toen: ‘Een maand waarin wij dertig dagen van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds niks eten en drinken zodat we voelen en ervaren hoe arme mensen leven. Een soort medeleven. Maar wie heeft medeleven met ons, vluchtelingen?’

Nu, twee jaar later, denkt ze er nog steeds zo over, vertelt ze. ‘Ik weet hoe het is om daar te zitten. Het wordt heel warm in de tenten, de Ramadan is dan loodzwaar. Ik leef nog steeds ontzettend mee met de mensen die in de situatie zitten die wij toen hadden.’

Ook Oekraïne houdt haar erg bezig. ‘Omdat ik zelf uit oorlogsgebied kom begrijp ik hoe vreselijk dat is. In wil niet dat iemand dat meemaakt.’ Ze schiet vol.

‘Het is heel moeilijk om je land te verlaten, zeker als het verscheurd wordt door oorlog. Oorlog is altijd verschrikkelijk, waar het ook gebeurt. Elk mens heeft het recht om in zijn eigen land te leven en gelukkig te zijn. Ik ben heel blij dat ik hier veilig ben, en de Duitsers zijn erg aardig. Maar hoe lang je ook weg bent, je mist je eigen land.’

Wat ís voor Atifa haar eigen land? ‘Dat is moeilijk uit te leggen. Eigenlijk weet ik niet hoe dat voelt. Ik ben altijd een buitenstaander geweest. Mensen hebben vaak medelijden – of ze wijzen je af. Je eigen land, dat is waar mensen je niet vragen waar je vandaan komt.’

Kan Duitsland dat land worden? Ze betwijfelt het. ‘Het zou mooi zijn, maar ik denk dat ook hier de mensen mij als vreemdeling zullen blijven zien.’

Wie de laatste tekst in haar dagboek leest, weet welk land Atifa als het hare ziet. Ook al ‘weet ze niet hoe de aarde er ruikt,’ toen de Taliban Afghanistan weer overnamen bloedde haar hart voor haar geboorteland: ‘Mijn landgenoten lijden heel veel pijn. Het voelt alsof mijn huis is verwoest.’

Zouden we ‘vaderland’ misschien niet zozeer als een plek moeten zien, maar als iets abstracts, daar waar je bent met de mensen bij wie je je thuisvoelt? ‘Dat is een mooie gedachte, maar ik voel dat op dit moment niet zo.’

Op Lesbos had Atifa veel vrienden, ze was heel actief bij verschillende ngo’s, ze schilderde er en volgde filmlessen. ‘Ja, mijn vrienden maakten de situatie echt draaglijker daar, we verzachtten de pijn voor elkaar. Met de meesten heb ik nog steeds contact, het gaat beter met ze. Zoals H, de vriend die zonder ouders in het kamp zat, ik schreef toen dat ze zijn telefoon hadden gestolen. Hij heeft een status gekregen in Duitsland, zijn familie is ook hier.’

Atifa is in Duitsland herenigd met haar achternichtje. Samen wandelen ze graag door de wijk.

Dat brengt ons op Atifa’s vertrek uit Griekenland. Waarom is ze weggegaan uit het land waar ze eindelijk de vluchtelingenstatus had gekregen?

‘Ik was even heel erg blij toen we onze vergunning kregen. We wilden in Griekenland blijven, ik had ook plannen voor mijn toekomst daar. Een vriendin van mij volgde een opleiding voor permanente make-up, dat wilde ik ook. Maar dan moet je wel een plek hebben om te wonen, en een baan om die opleiding te kunnen betalen.’

En dat was er allemaal niet. Binnen de kortste keren lag er een brief van de overheid dat het gezin het appartement moest verlaten. Er mochten alleen asielzoekers wonen, geen erkende vluchtelingen. Een ander huis moesten ze zelf maar zien te vinden. Atifa: ‘De maandelijkse 300 euro leefgeld voor ons vieren werd ook meteen stopgezet. Ik sprak geen Grieks, waardoor ik geen werk kon vinden. De sociaal werkster raadde ons aan het eiland te verlaten, en alle anderen die een status kregen deden dat ook.’

Ze reisden naar Athene om daar werk te vinden, maar al snel sloeg de paniek toe. ‘Wij kenden er niemand, het was een grote drukke stad. We hadden geen huis, bijna geen geld meer. Je hoorde er gruwelijke verhalen over berovingen en kinderontvoeringen. De situatie was er nog moeilijker dan op Lesbos. We hadden geen keuze.’

Het was een goede beslissing om naar Duitsland te gaan, vindt ze. ‘We hoeven hier niet bang te zijn dat we op straat moeten leven. En we hoeven niet in een tent, of in een vreselijk kamp.’ Maar nog steeds geen vaste grond onder de voeten… De vreemdelingenautoriteiten hebben het gezin een maand geleden ondervraagd over hun asielaanvraag. Het duurt nu zes maanden tot wel twee jaar voordat er een beslissing komt, werd hun verteld. ‘En dat was nog voor de oorlog in Oekraïne…’

Hoe hoopt Atifa dat haar leven er over tien jaar uitziet? ‘Op dit moment sta ik op nul, ik denk niet dat ik over tien jaar mijn dromen heb verwezenlijkt. Misschien sta ik dan op een zes. Als ik kan gaan studeren zou ik iets met film of communicatie willen doen. Maar boven alles hoop ik op een plek te zijn die ik thuis kan noemen, waar ik niet weggestuurd kan worden. Een bescheiden wens? Voor mij is het een droom.’

—–

Maandagochtend neemt Atifa ons mee naar haar school voor nieuwkomers, in Stuttgart. Hier is ze een meisje tussen de andere studenten. Van buiten zie je niet wat ze allemaal al heeft meegemaakt. Je ziet niet de wolken die door haar hoofd jagen, die soms als een schaduw over haar gezicht trekken als ze praat over de dingen die haar raken.

Les over solliciteren: ‘Als je een rijbewijs hebt, schrijf dat dan op, tenminste als het relevant is voor die baan,’ zegt de docent. Maar dan auf Deutsch, selbstverständlich.

Je ziet ook niet dat ze in haar leven tot nu toe maar vijf jaar dagelijks onderwijs had. Dat was in Iran, bij een Afghaanse juf die thuis lesgaf – Iraanse scholen waren verboden terrein.

Hier is ze gewoon een meisje, dat graag mee wil doen.

Laat haar hier mogen blijven.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.